
Wetenschap in de Oude Hortus
Botanisch onderzoek
De geschiedenis van de Botanische Tuinen van de Universiteit Utrecht gaat ver terug. In 1636 werd de tuin aangelegd bij Sonnenborgh, waar nu het gelijknamige museum is gevestigd. In 1723 bleek de tuin bij Sonnenborgh te klein. De Hortus Botanicus verhuisde daarom naar de Nieuwegracht. Daar deden studenten kennis op over planten, met name over hun medicinale kracht.
Na de Tweede Wereldoorlog verhuisden de universiteit en de tuinen grotendeels naar De Uithof, het huidige Utrecht Science Park. De tuin aan de Nieuwegracht raakte hierdoor in verval. De Stichting Vrienden van de Oude Hortus werd opgericht om de tuin te behouden en voerde succesvol actie. Met de komst van het Universiteitsmuseum Utrecht op deze locatie was het tweede leven van de Oude Hortus een definitief feit.
Wetenschap in de Oude Hortus
Medische Wetenschap
Bij de start van de Hortus in 1639 heeft de tuin een duidelijke focus op medische wetenschap. De Hortus op Sonnenborgh is gericht op de kennis van geneeskrachtige planten. De tuin heet dan ook Hortus Medicus.
Ook nu heeft deze medische tuin een plek in de Oude Hortus als de Regiustuin. De verschillende perken in de Regiustuin bevatten uiteenlopende planten en kruiden met een geneeskrachtige werking. Zoals de vijg die een laxerende werking heeft.
Plantensystematiek
In 1723 verhuist de Hortus naar de Nieuwegracht. In Europa ligt de nadruk dan op het in kaart brengen van de plantenwereld; plantensystematiek.
De botanische wetenschap ontwikkelt zich onder leiding van de Zweedse arts en natuuronderzoeker Carolus Linnaeus. In 1735 verblijft hij drie jaar in Nederland en verricht baanbrekend werk op het gebied van plantensystematiek. Ten behoeve van deze wetenschap wordt de tuin ingedeeld in plantenfamilies.
Landhuishoudkunde
In de eerste helft van de negentiende eeuw komt er aandacht voor de wetenschappelijke grondslagen en technologie van land-, bos-, en tuinbouw; landhuishoudkunde.
Hoogleraar Jan Kops doceert naast plantkunde ook landhuishoudkunde. In 1815 was Kops benoemd tot hoogleraar in de landhuishoudkunde en de kruidkunde te Utrecht. Uit memoires van oud-studenten van Kops blijkt dat zijn kennis van de botanie verouderd was. Hij heeft de nieuwe ontwikkelingen op dit gebied niet meer kunnen volgen.
Plantenfysiologie
Aan het eind van de negentiende eeuw neemt de aandacht voor de plantenfysiologie toe. In dit vakgebied is de Utrechtse botanie zeer succesvol. Plantensystematiek verdwijnt definitief naar het tweede plan.
Voor de tuin heeft dit grote gevolgen, de studie naar de (chemische) processen in een plant vereist een heel andere omgeving dan de plantensystematiek. De bouw van een groot botanisch laboratorium, deels in de tuin, is een logische keus. Voor de beplanting betekent dit dat de kweek van materiaal voor plantenanatomie steeds meer grond in beslag neemt. Er worden in de Hortus in die tijd veel plantenfysiologie cursussen en vakken gegeven.
Terug