Wat eet jij?

Met tanden bijt je eten af en maal je het fijn, zodat het in kleine stukjes verder je lijf in kan. Sommige tanden zijn puntig en scherp als messen, andere zijn vlak en geribbeld om eten te vermalen. Het soort tanden in je mond vertelt iets over wat je eet. Lijkt jouw gebit op dat van een hond, schaap of chimpansee? Onderzoek het door de verschillen te zoeken.

Wat heb je nodig?

  • Een spiegel
  • Werkblad
  • Vier kleuren stiften/potloden (zwart, rood, oranje en roze)

En als je hebt:

  • Jouw tandenbroodje
  • Tanden en kiezen die je al gewisseld hebt

Wat moet je doen?

Bekijk je tanden in de spiegel. Bestudeer ook tanden die je al gewisseld hebt of de afdruk in je tandenbroodje (als je die hebt). Zet op het werkblad zwarte kruisjes bij de eigenschappen van jouw tanden. Heb je hoektanden? Zijn ze groter of kleiner dan de snijtanden? Heb je puntige of platte tanden, of allebei? Heb je kiezen? Zijn die puntig of plat? Hebben ze ribbels of knobbels? Zet in elke rij één kruisje. Kijk nu in welke kolom je de meeste kruisjes hebt: ben jij dus een alleseter, planteneter of vleeseter?

Dierengebitten
Op het werkblad staan foto’s van drie gebitten: een van een planteneter, een van een vleeseter en een van een alleseter. Welk gebit is van welk soort eter? Bekijk de foto’s en vergelijk elk gebit met de eigenschappen op de eerste pagina van het werkblad.

De drie gebitten die je hebt onderzocht zijn van een hond, schaap en chimpansee. Bedenk nu: welk van deze drie dieren eet alleen maar planten? En welke alleen vlees? Welk gebit hoort dus bij welk dier?

Verder onderzoeken

Wat wil je nog meer onderzoeken? Bijvoorbeeld wat voor soort gebit andere dieren hebben. Of dat vegetariërs andere tanden hebben dan mensen die vlees eten? Of dat je dat je tanden platter worden als je meer kauwt? Verzin zelf een vraag en een manier om het te onderzoeken.

Hoe kan dit?

Met de relatief scherpe voor-, snij- en hoektanden in onze mond kunnen we voedsel afscheuren. Met de grotere, gebobbelde kiezen kunnen we voedsel in kleine stukjes malen. Vleeseters (carnivoren), bijvoorbeeld honden, hebben scherpe snijtanden zoals je ziet bij gebit 1. Hiermee kunnen ze vlees goed afscheuren. Planteneters (herbivoren), bijvoorbeeld schapen, hebben juist brede kiezen met bobbels en ribbels om planten te vermalen. Die zie je bij gebit 2. Alleseters (omnivoren) hebben zowel scherpe snijtanden als brede kiezen, zodat ze vlees en groente goed kunnen eten. Dit zie je bij gebit 3, van een chimpansee, en bij je eigen gebit.

Terug