Hoe gemakkelijk laat grond water door?

Wat voor grondsoort ligt er bij jou in de tuin of voor het huis? Is dat ruwe grond zoals kiezels en grind, of hele fijne grond zoals zand? En als het regent, zakt al het regenwater dan snel weg of blijft het juist staan? Hoe gemakkelijk water door de grond gaat, hangt af van de grondsoort en de ‘doorlatendheid’ van de grond. In dit onderzoek ontdek je de doorlatendheid van verschillende grondsoorten.

Dit heb je nodig

  • Twee verschillende grondsoorten (bijvoorbeeld klei, zand, potgrond, grind of kiezels). Zorg dat de grond goed droog is voor je met het onderzoek start.
  • Twee doorzichtige bekers
  • Koffiefilter
  • Koffiefilterhouder of een trechter
  • Een beker of kan
  • Water
  • Maatbeker
  • Stopwatch of telefoon

Dit ga je doen

  1. Vul twee doorzichtige bekers tot de helft met twee verschillende grondsoorten.
  2. Onderzoek de inhoud van de bekers.

Hebben de grondsoorten dezelfde kleur? Hoe ruiken ze? Voelt de grond fijn of eerder ruw?

  • Open een koffiefilter en doe deze in de houder of trechter. De houder of trechter plaats je in een kan of beker. Vervolgend vul je het filter met grond uit één van de bekers.
  • Meet met de maatbeker 100ml water af. Giet het water over de grond en start de timer. Gebruik een stopwatch of telefoon om 2 minuten te timen.

Wat gebeurt er? Wat valt je op?

  • Zijn de 2 minuten om? Onderzoek dan de doorlatendheid van de grond! Giet het water weer terug in de maatbeker, bepaal hoeveel water de grondlaag heeft doorgelaten en schrijf het op.
  • Gooi het koffiefilter met grond weg. Plaats een nieuw koffiefilter in de trechter en herhaal stap 3, 4 en 5. Je kunt nu vergelijken!

Welke verschillen zie je? Had je dit verwacht? Waarom laat de ene grondsoort meer/minder water door dan de andere grondsoort?

Uitleg: Je hebt het net de doorlatendheid van verschillende grondsoorten getest en waarschijnlijk ontdekt dat deze grondsoorten een verschillende doorlatendheid hebben. Dat komt doordat de grootte van de korrel veel effect heeft op het water:

  • Bij een grote korrelgrootte (zoals grind) heeft water veel ruimte om langs de korrel te bewegen. De doorlatendheid is daarom hoog: het water stroomt snel naar beneden.
  • Bij een kleine korrelgrootte (zoals zand) heeft het water minder ruimte om langs de korrels te bewegen. De doorlatendheid is daarom laag: het water stroomt langzaam naar beneden.

Soms is de korrelgrootte zó klein (zoals klei) dat er nauwelijks ‘lege’ ruimte rondom de korrels zit. De doorlatendheid van de grond is dan zo laag dat water niet altijd snel naar beneden stroomt en op de grond blijft liggen.


Dit proefje komt voort uit een Wie Wat Waar Waarom lezing in samenwerking met TivoliVredenburg. Kijk voor aankomende wwww lezingen en andere evenementen in onze agenda.

Terug